ABP Wereld,  2 augustus 2010
De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag digitaliseert met een ideaal voor ogen: alle informatie toegankelijk maken, voor iedereen en overal.
Diep in de krochten van het gebouw van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag ligt nog steeds de unieke collectie Middeleeuwse manuscripten. Nog steeds liggen daar ook de handschriften uit de negentiende eeuw, op zulk slecht papier geschreven dat elke aanraking fataal kan zijn. En nog steeds zijn daar de bijna vijfduizend oorlogsaffiches te vinden, een hard beeldverhaal vertellend over de periode 1940 – 1945. Het is de KB die iedereen kent, de in 1798 opgerichte spin in het web van het Nederlandse bibliotheekwezen, verzamelaar van alles wat in en over Nederland geschreven wordt: een huis vol papier.
Even verderop, in datzelfde huis, wordt hard gewerkt aan de afbraak van dat prozaïsche beeld. Daar staan computers, servers en harde schijven te ruisen, in lange rijen – in steeds langere rijen. Welkom in de KB van de eenentwintigste eeuw, een KB die digitaliseert. Directeur Bas Savenije: ‘Nee, het ziet er niet zo sensationeel uit.’
Het ís wel sensationeel. Niet zozeer het feit dat de KB uiteindelijk haar gehele collectie digitaal beschikbaar wil maken. De diagnose die daaraan ten grondslag ligt, werd al enkele jaren geleden gesteld. Savenije: ‘We zien het allemaal elke dag om ons heen gebeuren: informatiegedrag verandert. Onze missie is informatie beschikbaar stellen. Hoe zou de KB dat veranderende gedrag dan kunnen negeren? Voor onze levensvatbaarheid op langere termijn is digitalisering noodzakelijk, daar kan geen misverstand over bestaan.’
Opmerkelijk is echter de route die is gekozen. Onder leiding van Savenije, directeur sinds zomer 2009, is besloten de eerder in gang gezette digitaliseringsprojecten te versnellen en te intensiveren. Kwantitatief een enorme operatie: het gaat om ‘pdf’jes maken’ van uiteindelijk 730 miljoen pagina’s. Een klus die in 2030 geklaard moet zijn. 10 procent daarvan zal al in 2013 gereed zijn.
Kwalitatief is de inspanning zo mogelijk nog omvangrijker. Want van simpel scannen en ‘pdf’jes maken’ is nauwelijks sprake. In plaats daarvan is voor een grondige aanpak gekozen die van de KB internationaal inmiddels een voorloper heeft gemaakt op het gebied van ‘duurzame opslag’. ‘Informatie ter beschikking stellen is een van onze taken, een andere functie van de KB is de bewaarfunctie. Daaruit volgt onze grote belangstelling voor betrouwbare en duurzame opslag. En daar verstaan we niet onder het maken en opslaan van bestanden die over tien jaar niet meer te lezen zijn.’
Savenije noemt het voorbeeld van bestanden die gemaakt zijn met de tekstverwerker Word Perfect, waarvan de succesvolste versies op het aloude besturingssysteem MS-DOS draaiden. ‘Van die bestanden kunnen nu vaak alleen dure specialisten nog iets leesbaars produceren. Het tempo van de veranderingen in software- en hardwaresystemen is hoog en dat gaat ten koste van de mogelijkheden informatie langdurig te bewaren.’
Om te voorkomen dat hele bibliotheken straks gevuld zijn met digitaal materiaal dat niet meer te lezen is, is een meer bewerkelijke methode van digitaliseren vereist. ‘Het betreft een andere manier van opslaan, waarbij vooral veel meer gegevens óver het document wordt vastgelegd. Dat kan alleen handmatig, en is dus duur.’
Met deze hoge eisen heeft de KB inmiddels school gemaakt. Het digitale archief (eDepot) is bijvoorbeeld ook ter beschikking gesteld aan internationale uitgevers en andere nationale bibliotheken. Het bevat nu bijna 15 miljoen wetenschappelijke artikelen en meer dan tienduizend tijdschrifttitels. Elk jaar komen er anderhalf tot twee miljoen artikelen bij. De opslagcapaciteit is 30 TB, ongeveer dertigduizend GB dus, waarvan nu ongeveer eenderde wordt gebruikt.
Met de kwaliteit rond de duurzame bewaring onderscheidt de KB zich ook van de grote projecten van Google, het internetbedrijf dat zich heeft voorgenomen ‘alle boeken ter wereld’ te scannen. Google garandeert geen langdurige bewaring. Maar Savenije spreekt met de nodige sympathie over die inspanningen. ‘Laat ik vooropstellen dat ik het geweldig vind wat Google doet. Door het scannen van materiaal dat niet meer gedrukt wordt, komt informatie beschikbaar die vaak onbereikbaar was geworden. Dat ligt volkomen in het verlengde van ons ideaal: alle informatie beschikbaar maken, voor iedereen, en overal.’
Een ander voordeel van Googles activiteiten is dat het onderwerp auteursrechten op de politieke agenda is beland. ‘De KB wijst er al jaren op dat de Auteurswet grote obstakels in zich bergt voor onze digitaliseringsprojecten’, zegt Savenije. ‘Die wet is echt te veel van het goede: tot 70 jaar na publicatie is voor elk hergebruik van een werk voorafgaande toestemming nodig. En als de auteur geen werknemer was, maar freelancer, dan is die termijn 70 jaar tot na de dood van de maker. In veel gevallen is dat geheel onwerkbaar gebleken, maar wij hebben tot nu toe weinig succes gehad met het aankaarten van dit probleem. Maar zie: Google wil in de Verenigde Staten overeenkomsten sluiten met belangenorganisaties van auteurs en uitgevers en plotseling zeggen de betrokken Eurocommissarissen dat het tijd wordt eens te gaan kijken naar een versoepeling van het auteursrecht in Europa. Dat heeft Google toch mooi voor elkaar gekregen.’
Het is een kwestie die de dagelijkse gang van zaken rond de huidige digitaliseringsprojecten van de nationale bibliotheek tot op zekere hoogte stuurt, namelijk als het gaat om de keuze welke delen van de beoogde 730 miljoen pagina’s het eerste worden gedigitaliseerd. Een ander criterium voor die keuze is de financiering. ‘We hebben ons ten eerste gericht op de kwetsbare werken en op de kostbare werken; digitaliseren ‘voordat het te laat is’. Voor een aantal projecten hebben we apart subsidie gekregen, bijvoorbeeld het digitaliseren van de Handelingen van de Staten-Generaal uit de periode 1814 tot 1995, en het digitaal beschikbaar maken van Nederlandse nationale, regionale, lokale en koloniale dagbladen uit de periode 1618 tot en met 1945. Dat zijn 8 miljoen pagina’s.’
Afgezien daarvan is digitalisering ‘on demand’ mogelijk: tegen betaling worden bepaalde werken dan met voorrang digitaal beschikbaar gemaakt. ‘Dat kan de moeite waard zijn voor bijvoorbeeld een wetenschapper uit het buitenland’, aldus Savenije, ‘als daar een reis naar Den Haag mee uitgespaard wordt. ‘ Een vierde selectiecriterium is het onderzoek dat Nederlandse wetenschappers momenteel verrichten. Bronnen die voor dat onderzoek van belang zijn, zullen met voorrang worden gedigitaliseerd. De kosten daarvan zullen in toenemende mate uit eigen middelen worden betaald, wat wil zeggen dat de KB op andere posten gaat bezuinigen. Het budget voor de nationale bibliotheek (ongeveer 50 miljoen euro in 2008) wordt overigens voor ruim 90 procent opgebracht door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
In sommige landen experimenteren nationale bibliotheken met door uitgevers of ICT-bedrijven betaalde digitaliseringsprojecten. In ruil voor de financiering krijgt het bedrijf dan het recht de digitale informatie voor bepaalde tijd te exploiteren buiten het directe werkgebied van de bibliotheek. Dergelijke constructies zijn niet onomstreden. Savenije: ‘Het gevolg kan zijn dat materiaal al dan niet tijdelijk aan het publieke domein wordt onttrokken. Voor een boek dat tot dan toe vrij beschikbaar was, moet in digitale vorm voortaan worden betaald. Maar anderzijds: zonder die constructie was het boek helemaal niet gedigitaliseerd.’
Veel resultaten van de digitaliseringsprojecten van de KB zijn inmiddels via de website van de nationale bibliotheek te zien. Maar niet alles. Want aan het adagio ‘alle informatie toegankelijk maken, voor iedereen en overal’ moet – ook als het aan de KB ligt – niet zomaar het woord ‘gratis’ worden geplakt. Savenije: ‘We hebben de ambitie samen met de openbare bibliotheken en de universitaire bibliotheken te werken aan wat we een nationale informatie-infrastructuur noemen. Dat moet uitmonden in een zoeksysteem waarmee je alle bronnen tegelijkertijd kunt doorzoeken. Het zijn nu gescheiden circuits. Maar als dat lukt, wil dat niet zeggen dat iedereen alles gratis krijgt. De verschillende doelgroepen krijgen op verschillende voorwaarden toegang tot de verschillende bronnen.’
Dat heeft alles te maken met de licenties waaronder informatie wordt verkocht aan bibliotheken. Een universiteitsbibliotheek (UB) bijvoorbeeld verkrijgt een licentie om aan studenten en wetenschappers te leveren. Savenije was vijftien jaar directeur van de Utrechtse universiteitsbibliotheek en in die functie maakte hij mee hoe ‘lastig’ het is als informatie wordt opgevraagd door klanten buiten die doelgroepen. ‘Een docent van een ROC bijvoorbeeld vraagt een artikel op. Dat is digitaal beschikbaar, maar mag niet rechtstreeks aan hem worden geleverd. Het wordt daarom geprint, dan gescand en dan verstuurd. Daar betaalt de klant voor, maar dat bedrag kan de kosten die de UB maakt natuurlijk niet dekken.’ Consequentie is dat het niet wordt gestimuleerd dat doelgroepen buiten de wetenschappelijke wereld op zoek gaan naar wetenschappelijke informatie. ‘En dat is toch vreemd in een kennissamenleving.’
De verkokering moet worden doorbroken, vindt Savenije. Dit jaar begint de KB een experiment met de Zeeuwse openbare bibliotheek. Leden van die bibliotheek hebben dan met hun bestaande pas en tegen bijbetaling van 15 euro ook toegang tot de bestanden die de KB onder licentie heeft. Slaagt het experiment, dan wordt het uitgebreid naar alle openbare bibliotheken. Als vervolgens ook de UB’s zich aansluiten, is een nationale informatie-infrastructuur niet ver weg meer.
Welke vorm een en ander krijgt, maakt de KB niet zo veel uit. ‘Van ons hoeft niet iedereen naar de KB-site, dat kan ook allemaal via de zoeksystemen in de bibliotheken.’ En misschien, zo oppert Savenije, zullen niet websites het dominante medium zijn. ‘Ik kan me bijvoorbeeld voorstellen dat een doorbraak in de ontwikkeling van e-readers de aanzet zal geven tot een wijdverbreid gebruik van digitale bibliotheken. De iPod zette de muziekindustrie op zijn kop. Wat gebeurt er als er straks een e-reader op de markt komt die iedereen ineens wil hebben?’
De KB-directeur stelt dergelijke vragen zichtbaar met plezier. ‘Dit is een spannende tijd voor het bibliotheekwezen en ik vind het prachtig er over na te denken, net zoals over de genoemde kwesties rond auteursrechten en commerciële licenties. Of over de overlevingskansen voor het boek. Gaat het boek nooit verloren? Ik zou het niet durven beweren.’
Niemand kan weten hoe het afloopt, zegt hij. ‘Dit is een boeiend samenspel tussen overheden, marktpartijen en bibliotheken, en de uitkomst daarvan is ongewis. Ik weet wel dat de KB graag een leidende rol wil spelen in dat samenspel, om haar doelstellingen zo goed mogelijk te verwezenlijken.’
Is daarbij inbegrepen dat de bibliotheek zichzelf degradeert tot een rij servers en een stapel harde schijven? Wat gebeurt er met de ‘huizen vol papier’? Savenije: ‘Kijkt u maar eens goed om u heen in bibliotheken. In universiteitsbibliotheken, maar zeker ook de openbare bibliotheken in de grote steden: het wordt daar steeds drukker. Dat is wereldwijd een trend: de bibliotheek ontwikkelt zich als culturele ontmoetingsplek. Men spreekt daar af, men zoekt elkaar daar op, vindt het prettig daar te zitten. Men neemt de eigen laptop mee, of maakt gebruik van de computers die er staan. Openbare bibliotheken krijgen een horecagelegenheid. Er worden tentoonstellingen georganiseerd, et cetera.’
En de KB? ‘De KB zal toch altijd een wat studieus karakter houden. Wij hebben hier in ons pand een populaire vestiging van La Place en samen met het Nationaal Archief organiseren we ook tentoonstellingen – dus levendigheid is er wel. Maar wij zijn niet afhankelijk van bezoekersaantallen. Mensen komen hier werken en studeren omdat het rustig is, en dat vinden we ook een goede zaak. Afgezien daarvan: het gaat ons om het gebruik van de collectie. Dat is ons bestaansrecht. En dat gebruik neemt toe door digitalisering.’
![]()
Verschenen in ABP Wereld, nummer 3, 2010.