29 maart 2010
Een witte winter hard trainen heeft resultaat gehad. Afgelopen zondag liep ik de 10 kilometer Dwars door Dordt in 40.11 minuten, mijn snelste 10k in bijna vijf jaar. Bovendien kon ik voor 95 procent lopen zoals ik me voorgenomen had: ontspannen en met m’n kop bij het lopen, het voortbewegen, en niet bij allerlei bijkomstigheden.
Zoals de tijd.
Gek word ik ervan, merkte ik tijdens zware trainingen. Je wilt bijvoorbeeld een kilometer in 3.55 min lopen. Na 200 m kijk je op je horloge: 44 seconden. Je brein gaat meteen aan de gang: dat is te hard, dat komt neer op 3.40 min, je moet iets rustiger, maar niet te veel, want dadelijk ga je te langzaam, maar het voelt alsof het wel kan, o nee – toch niet, zie je wel, ik ben te snel moe, ik kan straks niet eens 47 seconden vasthouden, toch maar harder, ja maar…
Bij 400 m: 1.31 min. Dat is een 200 m van 47 seconden, reken je uit. Goh, het voelde niet als zo’n groot verschil met die eerste 200 m. Zie je wel, ik ben niet fit. Maar ik mag niet langzamer! Even aanzetten. O nee, ik ga te hard, even wat rustiger. Maar dadelijk kom ik boven de 48 seconden. Kom op!
Zo wordt een zware training dus een afmattende training.
De laatste keren liet ik de tussentijden voor wat ze waren. Richtte mijn aandacht op mijn ritme, probeerde het lijf soepel te laten bewegen. En maar twee keer op het horloge kijken, een keer aan het begin en een keer aan het einde van de kilometer. Ja, de tijden lopen dan wat meer uiteen. Het zij zo.
Afgelopen zondag het horloge helemaal thuisgelaten. Gelukkig voor mij grossiert Dwars door Dordt niet in duidelijke kilometeraanduidingen en die ene klok bij het vijfkilometerpunt miste ik toevallig. Dus verkeerde ik de hele race in zalige onwetendheid. Geen gepieker en gereken, gewoon lopen.
In theorie had het me vervolgens niet moeten uitmaken of ik er 39 minuten of 43 minuten over had gedaan. Met nog 400 meter te gaan trok ik de conclusie dat ik zo hard mogelijk had willen lopen vandaag en dat dat me was gelukt. Nou ja, voor de genoemde 95 procent dan. Missie geslaagd, in ieder geval.
De paradox is dat ik dit stukje toch open met mijn eindttijd. En ja, het was nog leuker geweest als ik net onder de 40 minuten was gedoken. De tijd doet er dus wel toe. Ik denk omdat je je wilt vergelijken: met anderen en met wat je zelf eerder deed. Wij lopers zijn per slot van rekening toch verwikkeld in een eeuwige strijd (met onszelf en met de anderen).
Ik kreeg nog een prijs ook. Derde plaats in de categorie M50. Dat de nummers 1 tot en met zoveel in de categorie M60 veel harder liepen, mocht de pret niet drukken: die hadden hun eigen podium. Een bosje bloemen en 20 euro. Sta je daar ineens op een ereschavot in een galmende sporthal. Ik heb niet veel nodig om me weer een klein jongentje te voelen: blij dat ik was, blij, blij!
>>>
Naschrift, 22 juni 2010.
Zo ben je blij, zo ben je bedroefd. Drie weken na de wedstrijd toch maar naar de fysio gegaan met dat pijntje in de enkel dat maar niet overging. Vier weken behandeld, nauwelijks resultaat, voor foto’s naar het ziekenhuis. Diagnose: ‘behoorlijke’ slijtage aan het bovenste spronggewricht. Consequentie: niet meer hardlopen.
Het gaat wel weer, dank u. Ik denk dat ik nu op de helft van het rouwproces zit. Wandelen is ook leuk, fietsen kan ermee door. Maar het is gedaan met het lopen. Tja, zo gaat dat dus.